Zondagochtend, kwart voor negen. De dagelijkse wandeling van het hotel naar Qi’s ouders, ongeveer tien minuten lopen. ’s Ochtends loop ik dit stuk meestal alleen. Qi slaapt uit.
Een bewaker houdt vanaf zijn rieten stoel toezicht over de hooguit tien auto’s van hotelgasten, die op de stoep, op een geïmproviseerde parkeerplaats staan geparkeerd. Terwijl ik de parkeerplaats oversteek is er de eerste ‘hé-een-buitenlander’-ervaring van vandaag. Een jongen ziet me in zijn ooghoek, kijkt me daarna recht aan, en lacht me vriendelijk toe.
De supermarkt is open, net zoals elke dag, en op straat is het even druk als altijd. De effectenbeurs aan de overkant is wel gesloten; het enige teken tot nog toe dat het weekend is. Behendig steek ik over in de georganiseerde chaos. Bij het zebrapad, voor wat het waard is. Dat gaat gepaard met het gebruikelijke getoeter, waar ik me niets van aantrek, want men zal het wel uit het hoofd laten om me aan te rijden. Tenminste, daar gaan we vanuit, want de schadevergoedingen die men moet betalen zijn hoog.
Buiten bij de restaurants worden groenten schoongemaakt en gesneden. Er staat al een grote teil met gekookte rijst klaar, en er worden al gerechten klaargemaakt. De plastic krukjes staat nog opgestapeld. Over een paar uur zullen ze de doorgang blokkeren.
Om de hoek is nu al een opstopping. De straat is hier breed, maar voor de ingang van de markt hebben boeren hun producten uitgestald. Precies op het smalste stuk is een auto zich een weg uit de parkeerplek aan het wurmen. Maar dat vlot niet erg omdat tijdens het voor- en achteruit steken steeds een kleine doorgang openblijft. Als Chinese voetganger, fietser of scooteraar zie je dan je kans schoon.
Naast de landbouwproducten staan er teiltjes met vis, schaal- en schelpdieren. Slangetjes blazen zuurstof in het water. Want Chinezen houden van vers. Kippen wachten in een kooi op hun naderende einde. De boerin draait ze ter plekke de nek om. Voor haar liggen al een paar geplukte exemplaren.
Naast de ingang van de markt zijn er in deze straat vooral karaokegelegdenheden. ’s Avonds galmt hier vals geblèr. Eén van de panden wordt momenteel verbouwd. Nog een karaoke erbij. Een bouwvakker loopt met een draagbalk over zijn schouder, met aan elke kant een mandje met puin. Er wordt gewerkt aan de verlichting aan de voorgevel. Die zal vast nog meer knipperen dan die van de buren.
Ik loop door de tunnel onder het spoor. Ook hier wordt gewerkt. Onlangs zijn de masten voor de bovenleiding geplaatst. Later dit jaar zullen de treinen hier op elektriciteit gaan rijden, en met 250 kilometer per uur voorbij gaan razen. Daarom worden hekken langs het spoor gebouwd. Nu kun je nog zo op de rails komen.
Op de trappen van de brug zit een oudere man te bedelen. In zijn plastieken bakje ligt een muntstuk van één yuan, zoals elke dag. Hij houdt het mandje omhoog, kijkt eerst naar de grond, daarna naar mij, een paar keer met het mandje schuddend. “Jīntiān méi yǒu quán. Wǒ zuótiān gěi nǐ wǔ kuài.” “Gisteren heb ik je al vijf yuan gegeven.” Hij knikt en rijst niet op, zoals hij anders doet.
Hier begint het park. Het is er drukker dan doordeweeks. Er zitten hand- en gezichtslezers langs de kant van het pad. Mij spreken ze niet aan, want hoe moeten ze hun bevindingen aan een buitenlander overbrengen? “American!“, hoor ik jongen roepen. “Bù shì měi guó rén.” “Ik ben geen Amerikaan.” “Hello!” roept hij terug. Ik antwoord met “Nǐ hǎo“. Een oudere man, die vlakbij het park woont, houdt een vogel die ook ‘nǐ hǎo‘ kan zeggen. En ‘rot op’, in het Chinees. Het is altijd maar afwachten óf en wát de vogel terugzegt. Hij zit in een kooitje, dat aan het balkon hangt. Ik roep “Nǐ hǎo” naar boven. Geen reactie.
Een straatreinigster komt me met haar kar tegemoet lopen. De vogel reageert alsnog, vandaag met “rot op”. De vrouw kijkt me verbaasd aan. Ik weet niet goed of dit een ‘hé-een-buitenlander’-blik is, of dat ze mij van het gescheld verdenkt.
Het is alsof ik als een kind in een hele grote snoepwinkel loop. Ik geniet van de wandelingen. Het is voorlopig de laatste. Morgen vertrekken we naar Shanghai, om de dag erna door te reizen naar Hongkong, voor vakantie en zaken.