Made in China

Archief van augustus 2009

Het Bloedbad van Nanjing

20 augustus 2009, 9:59 (China 17:59)

Nanjing werd in 1937 ingenomen door de Japanners, die in de zes daaropvolgende weken naar schatting driehonderdduizend krijgsgevangen en voornamelijk burgers afslachten. Tienduizenden vrouwen werden verkracht, verminkt en vermoord. Japanse soldaten sneden de buik van zwangere vrouwen open, gooiden de foetus in de lucht, en probeerden deze vervolgens op te vangen met hun bajonet. Mannen werden naar de rivier de Yangtze gedreven, en daar neergeschoten met machinegeweren. Duizenden werden in greppels geëxecuteerd. Anderen dienden als levend materiaal voor bajonettraining. Kinderen en bejaarden incluis. Mensen werden levend begraven, verbrand, onthoofd…

De gebeurtenissen in Nanjing bepalen nog steeds de relatie tussen China en Japan, zo legt een Chinese vriend uit. “De Duitsers hebben tenminste excuses aangeboden voor wat ze hebben gedaan in de oorlog! Maar veel Japanners ontkennen nog steeds dat er een massaslachting heeft plaatsgevonden, of ze zeggen dat het aantal doden schromelijk is overdreven.” Bezoeken van Japanse premiers aan een schrijn waar ook een aantal belangrijke oorlogsmisdadigers worden vereerd, zorgden meerdere keren voor een politieke rel en het oplopen van de spanningen tussen beide landen.

Dit jaar werden twee Chinese films geproduceerd over dit thema, waarvan één net was uitgekomen tijdens ons vorige bezoek. We hebben de film hier in de bioscoop gezien. Er was geen Engelse ondertiteling, maar de beelden zeiden genoeg. In het Westen wordt dit zeker geclassificeerd als zijnde ‘niet geschikt voor 16-’. In onze bioscoopzaal daarentegen zaten meerdere ouders met kleine kinderen. Blijkbaar willen deze ouders dat hun kinderen er goed van doordrongen zijn welke gruwelijkheden zich hebben voorgedaan.

Ook in het Herdenkingscentrum van het Bloedbad van Nanjing laten de beelden weinig aan de verbeelding over. Als Japanner zou ik me hier niet durven vertonen. Vlakbij het centrum ligt een massagraf met naar schatting tienduizend lijken. Het graf is deels geopend. In een aantal schedels zit het gat van een grote spijker; een andere manier om mensen om het leven te brengen. Sommige van de beenderen zijn duidelijk van baby’s en kleine kinderen.

Voordat ik naar Nanjing kwam, las ik het dagboek van John Rabe, een Duitse nazi die ten tijde van de inname in Nanjing woonde en werkte. Hij slaagde erin een veiligheidszone te creëren waar tweehonderdduizend Chinezen de slachtpartij min of meer ongeschonden konden overleven. Zijn huis staat er nog steeds. Het voelt onwerkelijk om erin rond te lopen, evenals in de omliggende tuin, waar alleen al zeshonderd Chinezen hun toevlucht zochten.

“Ik hou niet van Japanners”, zegt de Chinese vriend. Ik vraag hem waarom er juist nu zoveel aandacht is voor het Bloedbad van Nanjing. Volgens hem heeft het te maken met de stichting van de Volksrepubliek China, dit jaar 60 jaar geleden. “China is sterk geworden, en moet sterk blijven, om niet opnieuw zo gekwetst en vernederd te worden.”

(advertenties)

Hitte en armoede

17 augustus 2009, 2:48 (China 10:48)

De Chinezen hebben ogenschijnlijk weinig last van de warmte, terwijl ik me een ongeluk zweet. Ik kleed me zo luchtig mogelijk, maar een korte wandeling naar het metrostation is al genoeg om drijfnat te raken. In Beijing was het ‘droog warm’, hier in Shanghai is het ‘nat warm’. De luchtvochtigheid is erg hoog. Mijn gewassen kleding hangt nu al anderhalve dag te drogen op het balkon, maar is nog steeds nat, ondanks dat het tussen de 30 en 35 graden is. In Beijing raakte al ik snotverkouden doordat het buiten te warm is en binnen te koud, door de airco.

Omdat het te warm is om echt wat te doen, zoek ik verkoeling in een park met een boek. Eerste stop: het park tussen de wolkenkrabbers in Pudong. Dit is het financiële en commerciële centrum van China. Hier dure auto’s en strak in het pak gestoken zakenlui. Direct aan het park staan de Jin Mao toren (88 verdiepingen, 420 meter) en het Shanghai World Financial Center (101 verdiepingen, 492 meter). Aan de Shanghai Tower (128 verdiepingen, 632 meter) en nog wat andere wolkenkrabbers wordt gebouwd. De sky is hier de limit.

Rondom het park worden ook nieuwe wegen en tunnels aangelegd en verlegd. Als de herrie van de drilboren steeds luider wordt besluit ik te verkassen naar het Volkspark. Ik neem de metro, stap uit, en probeer de juiste uitgang naar bovengronds te vinden. Ik kom uit in een winkelcentrum dat direct aan het park gelegen is. In mijn tropenoutfit (teenslippers, korte broek, tank top) voel ik me al snel underdressed ten opzichte van de Shanghainezen, die vaak modieus gekleed tussen de dure en exclusieve winkels flaneren.

In het park vind ik een bankje met wat schaduw. En al snel weten de bedelaars mij te vinden. Eerst een man zonder armen, daarna een andere man die een been mist. Want ondanks dat de welvaart van de gemiddelde Chinees —en dan met name in steden als Shanghai— de afgelopen decennia enorm is gestegen, is er ook armoede. Het deel van de bevolking dat onder de armoedegrens leeft is in dertig jaar tijd met zestig procent gedaald tot minder dan vijf procent nu. Tegelijkertijd groeit de kloof tussen arm en rijk.

Later deze week vertrek ik naar Nanjing. Naast Wuhan en Chongqing staat Nanjing —vanwege de zinderende hitte— bekend als één van de ‘drie ovens’ van China. In juli en augustus kan de temperatuur hier oplopen tot boven veertig graden.

Vriendelijkheid

9 augustus 2009, 6:10 (China 14:10)

Ik las eens een verhaal over het ontstaan van de Chinezen. Dat verhaal was dat, toen alle eigenschappen over de verschillende volkeren werden verdeeld, de Chinezen als laatste aan de beurt waren. Gewilde eigenschappen, zoals bijvoorbeeld een mooi uiterlijk, waren al vergeven. Het enige wat nog over was, was vriendelijkheid.

Over hoe mooi of lelijk de Chinezen zijn valt te twisten, maar vriendelijk zijn ze zeker. Op mijn terugreis van Chengde naar Beijing ervaar ik de Chinese vriendelijkheid weer eens. Mijn vriend uit Chengde heeft de buschauffeur gevraagd me af te zetten bij een metrostation. Want als ik eenmaal bij een metrostation ben, dan weet ik mijn weg wel te vinden. Ik kan natuurlijk een taxi nemen, maar dat is me te makkelijk.

We rijden over de Vierde Ringweg van Beijing, langs het Nationaal Stadium, waar een jaar geleden de Spelen begonnen. Even later zet de chauffeur de bus aan de kant van de weg, en gebaart me dat ik moet uitstappen. Hij wijst in verschillende richtingen, en het wordt me niet echt duidelijk waar nu het metrostation is. Tegelijk met mij stapt een jong stel uit, en uit de gebaren denk ik op te maken dat ze ook naar de metro gaan. Ik besluit ze te volgen.

Na een minuut of tien lopen is er nog steeds geen metrostation te bekennen. We komen bij een groot kruispunt. Het stel steekt over, maar lijkt verdwaald te zijn. En gaan ze wel echt naar de metro? Tijd om een ‘hulplijn‘ in te schakelen. Ik bel een vriend in Beijing, en geef mijn telefoon aan iemand die foto’s staat te maken van een viaduct. Hij draagt een badge, lijkt aan het werk, en weet hier vast de weg. Na een kort gesprek krijg ik mijn telefoon terug. “Hij zal je de juiste richting wijzen.” We hangen op. Op dat moment komt het stel weer langslopen. Ze spreken mijn ‘wegwijzer’ aan. Er volgen wat gebaren waaruit ik opmaak dat ik hen moet volgen.

We lopen terug naar een bushalte. Er stopt een bus en we stappen in. Als ik een buskaartje wil kopen is het stel me te snel af. We houden allebei geld voor aan het kaartjesverkoopster, die daarop vraagt wiens geld ze moet aannemen. Uiteindelijk neemt ze het geld aan van het stel, waarop ik mijn twee kuai aan het stel aanbiedt. Ze weigeren. Ik bied het nog een paar keer aan, maar het wordt niet geaccepteerd.

De eerstvolgende halte stappen we uit. Even verderop is een metrostation. Daar is het weer duwen geblazen om de metro in te komen. Maar dat Chinezen zich tegenwoordig niet echt geduldig tonen als ze in een rij staan wordt wellicht ook verklaard door het bovengenoemde verhaal.

Naar Chengde

7 augustus 2009, 1:02 (China 9:02)

Ik word wakker van het getoeter van auto’s. Het is tegen zessen, en gisteravond ben ik vergeten het raam dicht te doen. Mijn hotelkamer ligt op de 22e verdieping, maar het getoeter —dat rond twee uur ’s nachts stopt en ongeveer twee uur later weer begint— hoor je er niet minder om. Het hotel ligt aan het centrale plein van Chengde, een stad zo’n 260 kilometer ten noordoosten van Beijing. Op het plein is ondanks de vroegte al een groep oudere mensen bezig met tai chi. En ik hoor marktlui hun koopwaar al aanprijzen.

Chengde is bekend om het resort, waarvan de naam letterlijk betekent: ‘resort in de bergen om de hitte te vermijden’. In het resort is het tenminste drie graden koeler dan in de stad zelf. Keizers van de Qing dynastie bouwden hier een tuin van bijna zes vierkante kilometer, inclusief paleizen en andere administratieve en ceremoniële gebouwen, vanwaaruit het land werd geregeerd als het in Beijing te warm was. De beste tijd om het resort te bezoeken is nu, niet alleen vanwege de aangename temperatuur, maar ook omdat de lotusbloemen in bloei staan. Er zijn plaatsen in het park waar je het idee hebt naar een perfect schilderij te kijken. Helemaal feng shui, zeg maar.

Vanuit Beijing kom je hier het snelst met de bus. Officieel duurt de reis zo’n vier uur, maar de precieze tijdsduur is afhankelijk van hoe snel de bus vol is (pas dan vertrekt ‘ie) en de staat waarin de bus verkeert. Mijn bus gaf zo’n vijf uur na vertrek en zo’n 20 kilometer voor aankomst de geest. Maar gelukkig bleek de chauffeur ook bussen te kunnen repareren. Een kwartiertje later had hij ‘em weer aan de praat, zijn armen zwart van de smeerolie.

Mao’s mausoleum

1 augustus 2009, 10:10 (China 18:10)

Eerder lukte het steeds niet Mao te zien. Zijn mausoleum was slechts enkele dagen per week geopend, en ik was er altijd op de verkeerde dagen. De vorige keer dat we in Beijing waren werden zowel gebouw als lijk opgekalefaterd in aanloop naar de Spelen. Sindsdien zijn de openingstijden verruimd.

Een paar maanden na Mao’s dood in 1976 werd begonnen met de bouw van het mausoleum. De materialen waren afkomstig uit heel China, evenals de 700.000 vrijwilligers die hielpen bij de bouw. Het schijnt dat de vrijwilligers vooral propagandadoeleinden en weinig bijdroegen aan de daadwerkelijke bouw. De vrijwilligers vormden een menselijke ketting en gaven de bouwstenen aan elkaar door. De volgende dag kwam er andere groep die hetzelfde deed, en de stenen weer naar de oorspronkelijke plaats overbracht. Het imposante gebouw was (desondanks) een half jaar later klaar. Het staat midden op het Tain’anmen Plein. Voor het mausoleum staat een rij, die begint aan de zijkant, en loopt via de achterkant. Er staan zo’n 6.000 mensen te wachten om naar binnen te mogen.

China beschikte niet over de benodigde kennis en materialen om Mao’s lichaam te balsemen en de kristallen kist te vervaardigden om het in te bewaren. De Sovjet-Unie had deze wel, maar de relatie tussen China en de Sovjet-Unie was dusdanig verslechterd dat China de Sovjet-Unie niet om hulp kon vragen. Noodgedwongen moesten bepaalde technologieën opnieuw worden uitgevonden. Bij de bouw van de kristallen kist hielp een foto van de doodskist van Lenin, die door de de Chinese ambassade in Moskou naar China werd gefaxed.

De expertise die nodig was voor de balseming werd verworven via andere communistische staten, die deze eerder van de Sovjet-Unie overgedragen hadden gekregen. Hoe goed die expertise was valt te bezien. Het lijk oogt wat als een wassen beeld. Het gerucht gaat dat er naast het echte lijk een wassen variant is, en dat beide om beurten worden getoond. Dat gerucht wordt nog eens aangewakkerd door de suppoosten, die je aansporen snel langs de baar te lopen, zodat je niet echt goed kunt kijken. Voor je het weet sta je in de souvenirwinkel, direct achter de baar. Maar ik heb ‘m gezien. Tenminste…als het de echte was.

(advertenties)