Made in China

Archief van de categorie 'Cultuur en gewoonten'

Luxe

10 juli 2010, 4:52 (China 12:52)

In 1978 werden in Qixia, een buitenwijk van Nanjing, de eerste fabrieken gebouwd. Direct aan de rivier de Yangtze verrezen kolossale petrochemische installaties. Niet veel later werden tussen de olieraffinaderijen en opslagtanks woningen voor de arbeiders gebouwd. Yan werkt hier in de kolencentrale die elektriciteit voor de fabrieken produceert. De enorme schoorsteen en koeltorens zijn goed te zien vanuit zijn appartement, dat direct naast een rangeerterrein ligt. De hoorns van de treinen klinken dag en nacht. Even verderop staan scholen met sportvelden, allemaal door het bedrijf gebouwd. Direct naast de atletiekbaan staat een toren waar gas wordt afgefakkeld. ’s Avonds is de baan vrij toegankelijk en rent of wandelt de plaatselijke bevolking hier rondjes, bij voorkeur achteruit, wat dat is gezonder.

Ik ken Yan al een paar jaar. Hij had me uitgenodigd, en omdat ik graag ‘bij de mensen thuis’ kom ben ik op zijn uitnodiging ingegaan. Ik krijg al snel spijt. Niet alleen de zware industrie in deze wijk maken dit een smerig oord, ook op straat is het vies. Er staan open vuilcontainers, waar afval in, maar vooral ook naast wordt gegooid. En dan niet in gesloten zakken. Tel daar bij op het warme weer, en je hebt een penetrante lucht waarvan ik bijna over mijn nek ga. De vliegen en ander ongedierte vinden het zichtbaar heerlijk.

Ik zei altijd dat ik niet veel luxe nodig heb. Een duur vijfsterrenhotel vind ik zonde van het geld. Geef mij een bed en een douche, en ik ben tevreden. Daar kom ik bij deze op terug.

Niet alleen buiten, ook Yan’s appartement zelf is —hoe zeg ik dat vriendelijk?— niet al te proper. Ik moet toegeven dat ik ook niet zou weten waar ik moest beginnen. Hij huurt het, zoals gebruikelijk gemeubileerd, voor 450 yuan per maand (bijna € 53). De meubels zijn oud, het granieten keukenblad en de eveneens granieten douchebak zijn op diverse plekken gescheurd, en de toiletbril wordt met plakband bij elkaar gehouden.

Maar goed, ik ben hier te gast en wil niet onbeleefd zijn richting mijn gastheer. Dat wordt knop omzetten en doorbijten.

Het is niet voor het eerst dat ik dergelijke woonomstandigheden tegenkom. Eén van Qi’s ooms woont samen met zijn gezin ook in een afgeleefd bouwval. Arm zijn ze niet, maar ze sparen liever dan dat ze veel geld aan wonen uitgeven. Ik zorg altijd dat ik er niet naar het toilet hoef, en zei altijd dat ik zo spartaans niet zou kunnen leven. Nu moet ik wel.

In het begin heb ik wat moeite met mijn stoelgang. Nadat ik eerst provisorisch het toilet wat heb schoongemaakt blijft het plakband wat ongemakkelijk zitten. Maar als ik de kleur van het leidingwater zie, dat ik eerder, zij het gekookt, aan mijn instant noedels heb toegevoegd, vraag ik me af waarom ik nog niet spontaan aan de dunne ben geraakt. Gelukkig gebeurt dat later alsnog.

Net als ik na een paar dagen enigszins gehecht raak aan het gele leidingwater, houdt het ermee op. En geen water betekent jezelf niet kunnen wassen en de wc niet kunnen doortrekken. De storing begint aan de het einde van de ochtend. Als er ’s avonds laat nog steeds geen water is, trek ik het niet meer. Het ontbreken van water is de druppel. Het is bedompt, ik plak en voel me vies. Voor de rest van mijn verblijf hier in Nanjing verkas ik naar een hotel.

Ik ben nog nooit zo blij geweest met een miezerig straaltje water zoals dat hier in het hotel uit de douchekop komt. En te lang douchen kan niet, want dan stroomt de badkamer over. Morgen reis is naar Hangzhou, de laatste stop voor ik Qi’s ouders ga afhalen. Ik heb het hotel daar al gemaild dat ik wil upgraden van de standaard naar de luxe kamervariant.

(advertenties)

Etiquette

7 juli 2010, 8:41 (China 16:41)

Ik ben terug in Shanghai en heb afgesproken met Jin, een vriend uit Hangzhou, die graag naar de Expo wil. Hij is vooral geïnteresseerd in de Europese landenpaviljoens, en een Europese gids is dan natuurlijk een pre. Ik trotseer voor de laatste maal het slechte weer, waarvan ik inmiddels weet dat het Chinezen niet afschrikt, en de rijen die dus hoe dan ook lang zijn.

Bij de ingang van de Expo hangen spandoeken met leuzen die de bezoekers oproepen zich beschaafd te gedragen. “Toon een natie van etiquette” is één van de slogans. Maar al snel gaat het mis. Even verderop in onze rij horen we geruzie. Een moeder en haar zoontje zijn voorgedrongen, en een andere bezoekster maakt zich daar kwaad over. Minutenlang snauwen de dames elkaar allerlei verwensingen toe.

Voordringen komt vaker voor, en ruzies als gevolg daarvan ook. Een keer heb ik gezien dat de bewaking er aan te pas moest komen om twee kijvende wijven uit elkaar te houden. Maar wat ik opvallender vindt dan de ruzies is het gebrek eraan. Meestal wordt er van het voordringen niets gezegd. Men lijkt het niet eens op te merken. Ogenschijnlijk stoort men zich er in ieder geval niet aan.

Chinezen lijken over het algemeen minder rekening te houden met hun omgeving. Ze lijken zich er minder bewust van, en gedragen zich minder sociaal. Het is al wat keren voorgekomen dat ik een ambulance met loeiende sirene heb vast zien staan in het verkeer, zonder dat er ook maar één auto aan de kant ging. Er wordt hier ook wel gezegd dat het geluid van de sirene klinkt als ‘over, over’. Men hoort de sirene, dat kan niet anders, maar geeft de ingenomen plaats niet vrij.

Met hoeveel de Chinezen ook zijn, menig Chinees lijkt zich alleen op de wereld te wanen. En juist dat er zoveel Chinezen zijn, is hier wellicht de verklaring voor. Iemand die in het water is gevallen en dreigt te verdrinken, is het meest gebaat bij één individu aan de kant, en niet een hele groep. In de groep zal men eerder afwachten en naar elkaar kijken wie er springt, terwijl iemand die alleen is sneller een reddingspoging zal ondernemen. Iemand anders gaat wel aan de kant voor de ambulance.

Daarbij komt dat het hebben van een eigen mening in China niet wordt gestimuleerd, en de mate waarin men invloed kan uitoefenen beperkt is vanwege het politieke systeem. Jin vindt het maar niks dat de dames zo openlijk ruziën: “Wat moeten buitenlanders wel niet denken?” Je vraagt je af voor wie de slogans bedoeld zijn: alleen voor de mensen die willen voordringen, of ook de mensen die er iets van willen zeggen?

Overdaad

17 december 2009, 8:48 (China 16:48)

“Weet je zeker dat het al open is?” We lopen met Qi’s vader in de richting van een nieuw winkelcentrum in Shangyu. Het gebouw lijkt af, maar op het grote plein ervoor is geen mens te bekennen. “Ja, het is in oktober geopend”, antwoordt Qi’s vader. We voelen aan de deur, die inderdaad open is. We gaan naar binnen.

Binnen is het een overdaad aan luxe: acht verdiepingen met ’s werelds duurste merken. Het is er spik en span. Een schoonmaakster is bezig om met een scheermesje de millimeters direct boven een lichtschakelaar te reinigen. Haar collega duwt een grote vloerwisser voort, ook al is het onmogelijk om de natuurstenen vloer nog meer te laten blinken. Het is niet alleen een overdaad aan luxe, ook aan personeel. Veel personeel is normaal in China, maar hier valt het extra op omdat ze werkelijk niets te doen hebben. Want het aantal klanten is nihil. Ik schat zo’n honderd personeelsleden per klant.

Dergelijke winkelcentra vind je in steden als Beijing en Shanghai, maar verwacht je niet in een —naar Chinese begrippen— dorp als Shangyu. Het lijkt hier ook allesbehalve op z’n plaats.

We zijn op zoek naar nieuwe schoenen voor Qi, maar het merk dat hij wil is blijkbaar te licht bevonden voor dit winkelcentrum. Eenmaal buiten vraag ik Qi of we het wellicht in het complex aan de overkant kunnen proberen. “Nee,” zegt Qi, “dat heeft geen zin. Dat gebouw is van de concurrent en heeft precies dezelfde winkels.”

Calvinisme

12 december 2009, 2:27 (China 10:27)

Qi’s vader had vroeger een eigen bedrijf. Hij maakte mallen voor machines in fabrieken. Maar de zaken gingen slecht, hij werd ouder, en is een aantal jaar geleden gestopt met werken. Hij heeft de pensioengerechtigde leeftijd echter nog niet bereikt. Deze ligt in China voor mannen op 60, en voor vrouwen op 50 jaar. Dat is ook een reden dat Qi’s moeder nog steeds werkt. Zij krijgt al wel pensioen, maar de 1.100 yuan (ongeveer € 110) per maand is krap om met z’n tweeën van te leven. Haar salaris van 1.200 yuan (ongeveer € 120) per maand wil ze niet opgeven.

We dringen er bij Qi’s ouders op aan een wat luxer leven te leiden; om beter eten voor henzelf te kopen, en bijvoorbeeld een elektrische verwarming aan te schaffen. We geven ze geld, maar Qi’s moeder weigert pertinent dat uit te geven. Ze spaart het op voor het geval wij het later nodig hebben. Ook van haar karige inkomen presteert ze het om een deel te sparen. Ze maakt zich veel zorgen over de problemen op haar werk. Slapeloze nachten heeft ze ervan. Maar stoppen? Ze piekert er niet over. Ze zou het calvinisme uitgevonden kunnen hebben.

Misschien is het ook maar beter dat ze blijft werken. Als ze zou stoppen, dan zou ze weinig om handen hebben. Ze zou zich gaan bemoeien met de boodschappen, die nu worden gedaan door Qi’s vader. Hij is makkelijker met geld, en onze troef. Een deel van ons geld geven we bewust aan hem. Laatst zei Qi’s moeder dat het misschien gezond zou zijn als ze sojamelk zouden drinken. Qi’s vader reageerde niet, maar is nog dezelfde dag naar de winkel gegaan om een apparaat te kopen om sojabonen mee te malen. Bij thuiskomst werd moeder boos: “Waarom heb je zo’n duur apparaat gekocht?!” Vader: “Hoe moet ik anders de bonen malen?!” Ze is een paar dagen chagrijnig geweest, maar drinkt nu regelmatig melk.

Als moeder naar haar werk is, vertelt vader dat moeder ook regelmatig klaagt over het vlees, de vis en groenten die hij koopt op de markt. “Waarom koop je zulk duur eten?!” Zolang ze daarover klaagt is het goed.

Honderd mensen

10 december 2009, 12:46 (China 20:46)

Qi’s moeder werkt op een school voor voortgezet onderwijs, als hoofd van de conciërges van de gebouwen waar de leerlingen slapen. Op het voortgezet onderwijs is het gebruikelijk dat de leerlingen dag en nacht op school verblijven. De lessen zijn van half zeven ’s ochtends tot half zes ’s middags. In de avonden is er zelfstudie, van zeven tot negen uur. In de lagere klassen vijf, in de hogere klassen zes dagen per week. Vakanties worden deels gecompenseerd; in de weekenden voor en na vakanties zijn er extra lessen.

Vanuit onze hotelkamer kijken we uit op het schoolplein van Qi’s oude basisschool. De lessen zijn daar van zeven uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags. Tweemaal daags schallen instructies uit de luidsprekers die rondom het plein hangen. Het zijn instructies voor gymnastiekoefeningen en een oogmassage, bedoeld om de concentratie op peil te houden.

Omdat er zoveel mensen zijn is het —zelfs met een universitair diploma— moeilijk om een goede baan te vinden. Er ligt een grote druk op kinderen om op school exceptioneel te presteren.

Het werk dat Qi’s moeder doet betaalt slecht. Eén van de conciërges heeft eerder een salarisverhoging gevraagd, maar kreeg nul op het rekest. Er zijn toch genoeg andere mensen die het werk willen doen, zo redeneert de directeur.

Twee weken geleden heeft een leerling uit de hogere klassen zelfmoord gepleegd. Hij kwam niet opdagen bij de zelfstudie, en werd uiteindelijk gevonden in zijn kamer, waar hij zich had opgehangen aan zijn stapelbed. Daarna hebben alle conciërges van het betreffende en de omliggende gebouwen ontslag genomen of zich ziek gemeld. Ze zijn bang dat de geest van de jongen nog ronddoolt in het gebouw en durven er niet meer te werken. Zeker ’s nachts, als ze in het donker hun ronde moeten doen. De directeur maalt niet om zijn vertrokken werknemers: “Het is makkelijker om honderd mensen te vinden dan honderd honden.” (Chinees gezegde)

(advertenties)

Vriendelijkheid

9 augustus 2009, 6:10 (China 14:10)

Ik las eens een verhaal over het ontstaan van de Chinezen. Dat verhaal was dat, toen alle eigenschappen over de verschillende volkeren werden verdeeld, de Chinezen als laatste aan de beurt waren. Gewilde eigenschappen, zoals bijvoorbeeld een mooi uiterlijk, waren al vergeven. Het enige wat nog over was, was vriendelijkheid.

Over hoe mooi of lelijk de Chinezen zijn valt te twisten, maar vriendelijk zijn ze zeker. Op mijn terugreis van Chengde naar Beijing ervaar ik de Chinese vriendelijkheid weer eens. Mijn vriend uit Chengde heeft de buschauffeur gevraagd me af te zetten bij een metrostation. Want als ik eenmaal bij een metrostation ben, dan weet ik mijn weg wel te vinden. Ik kan natuurlijk een taxi nemen, maar dat is me te makkelijk.

We rijden over de Vierde Ringweg van Beijing, langs het Nationaal Stadium, waar een jaar geleden de Spelen begonnen. Even later zet de chauffeur de bus aan de kant van de weg, en gebaart me dat ik moet uitstappen. Hij wijst in verschillende richtingen, en het wordt me niet echt duidelijk waar nu het metrostation is. Tegelijk met mij stapt een jong stel uit, en uit de gebaren denk ik op te maken dat ze ook naar de metro gaan. Ik besluit ze te volgen.

Na een minuut of tien lopen is er nog steeds geen metrostation te bekennen. We komen bij een groot kruispunt. Het stel steekt over, maar lijkt verdwaald te zijn. En gaan ze wel echt naar de metro? Tijd om een ‘hulplijn‘ in te schakelen. Ik bel een vriend in Beijing, en geef mijn telefoon aan iemand die foto’s staat te maken van een viaduct. Hij draagt een badge, lijkt aan het werk, en weet hier vast de weg. Na een kort gesprek krijg ik mijn telefoon terug. “Hij zal je de juiste richting wijzen.” We hangen op. Op dat moment komt het stel weer langslopen. Ze spreken mijn ‘wegwijzer’ aan. Er volgen wat gebaren waaruit ik opmaak dat ik hen moet volgen.

We lopen terug naar een bushalte. Er stopt een bus en we stappen in. Als ik een buskaartje wil kopen is het stel me te snel af. We houden allebei geld voor aan het kaartjesverkoopster, die daarop vraagt wiens geld ze moet aannemen. Uiteindelijk neemt ze het geld aan van het stel, waarop ik mijn twee kuai aan het stel aanbiedt. Ze weigeren. Ik bied het nog een paar keer aan, maar het wordt niet geaccepteerd.

De eerstvolgende halte stappen we uit. Even verderop is een metrostation. Daar is het weer duwen geblazen om de metro in te komen. Maar dat Chinezen zich tegenwoordig niet echt geduldig tonen als ze in een rij staan wordt wellicht ook verklaard door het bovengenoemde verhaal.

Passen, meten en mondkapjes

2 mei 2009, 4:55 (China 12:55)

In het centrum van Shanghai ligt de bevolkingsdichtheid op bijna 15.000 inwoners per vierkante kilometer. Ik dacht altijd dat dat veel was. Shanghai valt echter in het niet bij Hongkong, en dan met name Kowloon, de landtong waarop ons hotel staat. Hier wonen 45.000 mensen per vierkante kilometer. (Ter vergelijking: in de dichtstbevolkte stad van Nederland is dat nog geen 6.000.)

Er is hier in Hongkong duidelijk ruimtegebrek, en er wordt daarom zeer effectief met de beschikbare ruimte omgegaan. Mensen wonen in kleine appartementen in hoge woontorens, met daartussen smalle straten en stoepen. Door de straten razen dubbeldekkers en zelfs de trams hebben hier twee verdiepingen. De metro ligt diep onder de grond, onder de kelders van de vele winkelcentra die Hongkong telt. Want Hongkong is shoppen. En omdat de gevels te klein zijn voor reclameborden, hangen die hier haaks op de gevel, tot over de gehele breedte van de straat.

Ruimte is geld, en het is hier passen en meten. In een restaurant waar we gisteren aten paste ik met moeite door de deur van het toilet. En ik kon de deur alleen dichtdoen als ik stijf tegen de muur ging staan, op een verhoging waardoor de afvoer liep.

Door de hoge concentratie van mensen kunnen virale ziektes zich hier gemakkelijk verspreiden. In 2003 was Hongkong een van de brandhaarden van het SARS-virus, en men is zeer alert om herhaling te voorkomen. Vanwege de varkensgriep was er de afgelopen week al een verhoogde staat van paraatheid waarneembaar. Bij de grens tussen Hongkong en Shenzhen waren speciale camera’s opgesteld die de temperatuur van voorbijgangers meten, om mensen met koorts eruit te kunnen pikken. Met de dag is een toename van het aantal mensen met neus- en mondkapjes zichtbaar. De liften van ons hotel worden elk uur gedesinfecteerd.

Desondanks is hier gisteren het eerste geval van varkensgriep vastgesteld, bij iemand die —een dag na ons— vanuit Shanghai in Hongkong is aangekomen. Volgens een vriend die hier als leraar werkt, is het zeer waarschijnlijk dat nu uit voorzorg alle scholen worden gesloten.

Vanavond vliegen we terug naar Nederland. Met koffers waarin het passen en meten wordt. En voor de zekerheid ook maar met mondkapjes.

Naar Shenzhen

30 april 2009, 11:39 (China 19:39)

Ondanks dat Hongkong sinds 1997 weer deel uitmaakt van China, is er nog steeds een grens mét controle. En Chinezen van het vasteland mogen deze Speciale Administratieve Regio niet zomaar in- en uitreizen. De enige reden dat Qi hier nu (maximaal zeven dagen) mag verblijven is omdat hij op doorreis is naar een ander land.

Gisteren had ik een gesprek met iemand die mogelijk voor me gaat werken. Dat gesprek was in Shenzhen, net over de grens met Hongkong, op het vasteland. Die persoon mag zelf Hongkong niet in, omdat hij niet beschikt over een speciale pas. Qi kan daarentegen niet naar Shenzhen, omdat hij Hongkong dan zou verlaten en niet weer opnieuw zou worden toegelaten. Dus ging ik alleen naar Shenzhen. (Krom is het wel, dat ik als enige van ons drieën, en als enige niet-Chinees, wél naar beide delen van China mag reizen.)

Qi was er niet erg gerust op dat ik alleen naar Shenzhen ging. Hij was bang dat ik zou worden overvallen, ontvoerd of omgelegd. Hij kreeg bijval van andere Chinezen, zowel uit Hongkong als van het vasteland. Shenzhen zou een erg gevaarlijke stad zijn, waar je zelfs van je organen zou kunnen worden beroofd.

Lees verder