In kapitalistisch communistisch China is iedereen gelijk, maar sommigen zijn meer gelijk dan anderen. Op de stoep voor ons hotel (€ 11 per nacht) staat een spiksplinternieuwe Hummer geparkeerd (minimaal € 50.000). De wagen heeft nog niet eens een nummerbord, zo nieuw. En je hoeft niet lang te wachten om een Mercedes, Audi of BMW voorbij te zien rijden. De nieuwste modellen, het liefst met geblindeerde ramen. Met knipperende gevarenlichten bewegen de meer-gelijken zich tussen de minder-gelijken. Maak plaats, maak plaats, maak plaats, we hebben ongelofelijke haast!
De Hummer staat in schril contrast met sommige andere voertuigen die zich hier op de openbare weg begeven. Sommige vehikels zijn zo oud en versleten, dat je verwacht dat ze het elk moment zullen begeven. Maar wonder boven wonder, hoe krakkemikkig ook, het blijft maar rijden, zo getuige de zwarte wolken uitlaatgassen. In grote steden als Shanghai worden deze barrels van de weg gehaald, maar hier mag het gewoon.
Eén dingen hebben de meer- en minder-gelijken gemeen: ze kunnen niet zonder hun claxon. De eerste dagen was het weer schrikken, maar nu ben ik er wel weer aan gewend. Gewoon blijven lopen, niet aan de kant gaan, net doen alsof je niets hoort. Qi daarentegen beklaagt zich over de bus- of taxichauffeur die overmatig toetert, en schreeuwt zelfs tegen claxonnerende auto’s, vooral als het luxe bolides betreft. Dat deed ‘ie anders nooit! Zelfs de middelvinger (die hier dezelfde betekenis heeft) wordt niet geschuwd. Als ‘ie nu niet is ingeburgerd…