Made in China

Archief van de categorie 'Reizen'

Inshallah

11 september 2011, 7:35 (China 15:35)

Ronald in een vliegtuig vol Egyptenaren naar China. Eigenlijk was wel te voorspellen dat dit een verhaal zou opleveren.

Ik vloog deze keer van Amsterdam via Caïro naar Guangzhou, met Egyptair. De eerste vlucht had een uur vertraging, maar in Caïro zou ik tweeënhalf uur hebben om over te stappen, dus dat was geen probleem. Het instappen van de tweede vlucht begon op tijd, en ik was als een van de eersten aan boord. Na een kwartier vielen echter alle lichten uit en werd het instappen stopgezet. Maar een half uur later sprong het licht weer aan en stapten de laatste passagiers in. Het was inmiddels middernacht, een half uur na de geplande vertrektijd.

Rond 1 uur —we stonden nog steeds aan de gate— deed de piloot een mededeling, eerst in het Arabisch, daarna in het Engels. Het Engelse deel was niet te verstaan omdat de overige passagiers (bijna uitsluitend Egyptische mannen) duidelijk niet blij waren met hetgeen was gezegd. Een deel stond op en verliet het vliegtuig. Na een tijdje besloot ik hun voorbeeld maar te volgen. Onderweg vroeg ik een steward wat er aan de hand was. Hij vertelde dat er een technisch defect was, en dat we waarschijnlijk met een ander toestel zouden vliegen. De piloot zou over tien minuten opnieuw een mededeling doen. Tegen die tijd had iedereen het vliegtuig al verlaten.

Democratisch als de Egyptenaren inmiddels zijn was al snel besloten van de wachtruimte een rookruimte te maken. Naarmate de tijd verstreek werden de heren zichtbaar en hoorbaar bozer, en ruzieden met het schaars aanwezige grondpersoneel. Er waren ook twee beveiligers, maar die keken vooral naar de monitor van hun röntgenapparaat, ondanks dat er niets meer door de scanner ging.

Rond 3 uur wist ik nog niet veel meer dan in welke richting Mekka lag. Even later werd omgeroepen dat het vliegtuig alsnog om 4 uur zou vertrekken. Het werd iets rustiger, tot er na half 5 nog steeds geen teken van vertrek was. Bij de balie werd steeds luider geschreeuwd. Een andere passagier die zowel Arabisch als Engels sprak vertelde me dat we waarschijnlijk ondergebracht zouden worden in een hotel.

Rond 5 uur riep iemand van het grondpersoneel: “Transfer, transfer,” daarmee doelend op de niet-Egyptische passagiers. We volgden de man, de schreeuwende Egyptenaren achterlatend bij de gate. Het hotel lag achter de paspoortcontrole, en er zouden eerst transfervisa voor ons geregeld moeten worden. We moesten ons paspoort inleveren en wachten. Na een uur kwam een man in uniform terug met de stapel paspoorten, en gebood ons hem te volgen naar de paspoortcontrole. Daar werd ieders naam één voor één afgeroepen en mochten we Egypte in. Ons paspoort kregen we echter niet terug, en ook de begeleiding hield hier op. De man in uniform gebaarde dat we naar buiten moesten en liet ons verder aan ons lot over. Eén van de passagiers leek te weten waar we heen moesten. De rest volgde.

Daar liep ik dan, zonder paspoort, met alleen mijn handbagage, in Caïro. Geen fijn gevoel, kan ik zeggen.

Buiten de terminal stond een bus, waarin we werden herenigd met een deel van de Egyptenaren. Na een korte rit kwamen we aan bij het hotel, waar de rest van de Egyptenaren stond te duwen voor én achter de receptiebalie. Het was inmiddels half 7. Er bleek één hotelmedewerker te zijn die de meer dan 250 passagiers aan een kamer moest helpen. Egyptair had geen passagierslijst doorgestuurd, en na enige tijd kwam ik er achter dat ik mijn naam ergens moest opschrijven als ik ooit een kamer wilde krijgen. Er waren echter onvoldoende kamers beschikbaar, en men moest wachten tot overige gasten uitcheckten en kamers waren schoongemaakt.

Rond achten wist ik een kamer te bemachtigen, en krap twee uur slaap te pakken. Om 10 uur werd ik gebeld met het verzoek uit te checken. Een bus zou ons terug naar de terminal brengen. De geplande vertrektijd was nu 12 uur. Eenmaal terug op de luchthaven kreeg ik bij de balie van Egyptair mijn paspoort terug, en kon ik door de paspoortcontrole richting de gate. Daar was zichtbaar meer personeel aanwezig dan gisteren. Ook waren er directieleden en managers om de klachten van passagiers aan te horen. We kregen zelfs een mini-KitKat.

Het was nog steeds hetzelfde vliegtuig dat aan de gate stond. De geplande vertrektijd van 12 uur werd niet gehaald (niet dat er iemand was die daar op rekende), maar rond half twee werd dan toch eindelijk begonnen met instappen. Opnieuw was ik als een van de eersten aan boord. Economy class, tweede rij voorin, uiterst rechts. Vanwege de felle zon sloot ik de luikjes voor de ramen. Nadat iedereen aan boord was was er opnieuw rumoer en een deel van de passagiers stapte weer uit. Ik vroeg een Egyptische passagier wat er aan de hand was. Het was niets, zei hij. Maar meer en meer passagiers verlieten —sommigen gehaast— het toestel. Toen ik achter me keek zag ik andere passagiers naar buiten kijken. Rechts van het vliegtuig leek iets gaande. Ik opende de luikjes en zag een brandweerauto staan, en er lag schuim onder de vleugel. Naar later bleek had de rechtervleugel kort in brand gestaan. Een vliegtuig vol passagiers én kerosine, brand, en geen evacuatie of iets in die richting.

Inmiddels was wel duidelijk dat dit vliegtuig ons niet naar China zou gaan vliegen. Eenmaal terug in de wachtruimte werd het aanwezige management bestookt. Opvliegend volkje, die Egyptenaren. Eén man werd het allemaal teveel. Hij werd op de grond gelegd met zijn benen naar boven, en even later afgevoerd in een rolstoel. Het vliegtuig zou nu vervangen worden, beloofde het management. Er werd nog maar eens gebeden.

Rond 4 uur arriveerden bussen bij de gate, die ons naar een ander toestel reden. Rond vijven stegen we dan eindelijk op, met ruim 17 uur vertraging. De vlucht verliep verder zonder problemen. Bij het naderen van Guangzhou werd er om me heen wel menig schietgebedje gepreveld. Eenmaal op de grond klonk een luid applaus, gecombineerd met “Allah Akbar! Allah Akbar!” God is groot.

Over twee weken vlieg ik weer terug naar huis met deze maatschappij. Inshallah.

(advertenties)

Naar Chengdu

17 november 2010, 12:18 (China 20:18)

Ik verkeer in de gelukkige omstandigheid dat een aantal van mijn vrienden steward zijn en me soms meevragen naar verre bestemmingen. Tijdens de heen- en terugvlucht moeten ze zelf werken, en ik mag alleen mee als er een stoel beschikbaar is. De verblijfsduur is kort, maar het ticket kost slechts een habbekrats. Op deze manier belandde ik bijna vijf jaar geleden voor het eerst in China: 48 uur Beijing, het begin van ‘dit alles’.

Vanavond vlieg ik, met dezelfde vriend en binnen dezelfde constructie als vijf jaar geleden, opnieuw naar China. Voor mij wordt het de tiende keer naar China. Een jubileum en een lustrum ineen dus. We gaan naar Chengdu, en omdat er naar Chengdu maar een paar vluchten per week gaan is de keertijd relatief lang: vier dagen. Maandagavond ben ik weer terug.

Ouders aangekomen in Nederland

18 juli 2010, 10:14 (China 18:14)

“Dit zijn mijn schoonouders. Ze zijn hier voor familiebezoek.”
De marechaussee bladerde door een van de paspoorten en kwam al snel bij een pagina met een doorkruist visum.
“Ja, het consulaat had de visa omgewisseld. Het goede visum staat op de volgende pagina.”
“Ik zie het, ja… Hoe lang blijven ze hier?”
“Tot en met 14 augustus.”
“En waar verblijven ze?”
“Bij ons thuis.”
“En jij bent ze wezen halen?”
“Ja, ik heb het gecombineerd met een bezoek aan de Expo.”

De marechaussee voorzag de visa van stempels, en zo stonden we nog geen kwartier na de landing al bij de bagageband te wachten op onze koffers. De elf uur durende vlucht was goed verlopen. Een dag eerder was ik al bij Qi’s ouders aangekomen. Nog nooit eerder was ik zo lang met ze alleen geweest. Tot mijn eigen verbazing bleek mijn woordenschat inmiddels dusdanig groot dat we redelijk met elkaar konden communiceren. Nu Qi er niet bij was moest ik ook wel.

De bagageband draaide al, en er lagen nog wat koffers op van een eerder aangekomen vlucht. Na een paar minuten keek Qi’s vader me ongerust aan, wijzend naar de band: “méi yǒu!” (De koffers zijn er niet!) Tja, in China moet je bij wijze van spreken je best doen om eerder dan je koffer bij de bagageband te geraken. In Nederland duurt dat, zoals wel meer dingen, iets langer. “Děng yī xià.” (Even wachten.)

Nadat we onze koffers hadden namen we de trein, en Qi haalde ons af op het station. Met twee Chinezen die totaal aan mij waren overgeleverd voelde dat wel een beetje als ‘missie geslaagd’.

Twee systemen, vijf stempels

29 juni 2010, 2:48 (China 10:48)

Ik ben aangekomen in Shenzhen, een stad in zuidoost China, tegen de grens van Hongkong aan. Het plan is om hiervandaan de komende dagen Hongkong te bezoeken.

Hongkong bestaat uit het gelijknamige eiland, het schiereiland Kowloon en de New Territories. Na de Opiumoorlog werd het Chinese keizerrijk in 1842 gedwongen het eiland Hongkong uit te lenen aan Groot-Brittanië. In 1860 werd daar Kowloon aan toegevoegd, en in 1898 de New Territories. De leaseperiode liep in 1997 af. Bij de onderhandelingen over de teruggave van Hongkong aan China was afgesproken dat Hongkong een Speciale Administratieve Regio zou worden, waarbij het bestaande sociale, economische en politieke systeem voor tenminste vijftig jaar in stand zou blijven. In Hongkong gelden dus andere wetten en regels dan op het vasteland van China: één land, twee systemen.

De twee systemen mogen dan wel één land zijn, je kunt niet zomaar van het ene systeem naar het andere reizen. Mijn hotel staat in socialistisch Shenzhen, vlakbij de grens met kapitalistisch Hongkong, hier gemarkeerd door een riviertje van nog geen honderd meter breed. Vanuit mijn kamer zie ik het grensgebouw. Na de paspoortcontrole door de Chinese autoriteiten steek je het riviertje over met een overdekte voetgangersbrug. Daarna volgt opnieuw een paspoortcontrole door de autoriteiten van Hongkong, die dus eigenlijk ook Chinees zijn.

Deze aanpak —overdag Hongkong, ‘s nachts Shenzhen— is mogelijk doordat ik een multiple entry visum voor China heb, wat betekent dat ik China onbeperkt mag inreizen. Voor Hongkong is geen visum nodig voor verblijf tot negentig dagen. Ik ben wat extra tijd kwijt aan het reizen tussen Shenzhen en Hongkong, maar dat weegt niet op tegen het geld dat ik bespaar op vliegtickets en hotelovernachtingen. Een ticket naar Shenzhen kost namelijk ongeveer eenderde van een ticket naar Hongkong, en voor hotels geldt dezelfde verhouding.

Het grensgebouw oogt als een treinstation, in het centrum van de stad, en in wezen is dat het ook. Na de paspoortcontrole kun je alleen het perron oplopen waarvandaan de trein naar het centrum van Hongkong vertrekt. Jaarlijks passeren hier bijna honderd miljoen mensen de grens. Het is de drukste grensovergang ter wereld.

Vasteland-Chinezen mogen Hongkong niet zomaar in- en uitreizen; ze hebben er een speciale pas voor nodig. Voor Shenzhenezen en Hongkongers die de grens vaak over moeten zijn er sluizen met toegangspoortjes. Het eerste poortje is te openen met een pasje. Met een scan van de vingerafdruk opent het tweede poortje.

Al met al heeft het wat absurds, een grens zo ‘midden in de stad’, en een grens die veel Chinezen niet zomaar over mogen, terwijl het aan de andere kant ook China is. En dan de enorme hoeveelheid stempels die ik deze week in mijn paspoort krijg. Als ik van Shenzhen naar Hongkong reis krijg ik drie stempels: China uit, Hongkong in, plus een stempel dat aangeeft hoeveel dagen ik in Hongkong mag blijven. Op de terugreis komen nog eens twee stempels bij: Hongkong uit en China in. Dat is vijf stempels per keer. Aan het eind van deze week ben ik zo’n twintig stempels rijker. Het is net de Expo, maar dan met kortere wachttijden.

Afhaalchinees

16 juni 2010, 10:06 (China 18:06)

Voorafgaand aan Qi’s migratie naar Nederland woonden we samen in Shanghai. Toen ik naar Shanghai vertrok zei ik dat ik mijn Chinees ging afhalen, daarmee een andere betekenis gevend aan de term ‘afhaalchinees’. Volgende week vertrek ik opnieuw naar China, deze keer voor twee afhaalchinezen: Qi’s ouders, die een maand bij ons op bezoek komen. Qi’s ouders zijn niet echt bereisd. En omdat ik graag naar de Expo in Shanghai wilde, hadden we bedacht een en ander te combineren.

Mijn reis begint op 22 juni, en gaat via Shanghai, Shenzhen/Hongkong, Nanjing en Hangzhou naar Shangyu, waar Qi’s ouders wonen. Op 15 juli vliegen we van Hangzhou, waarvan de luchthaven op zo’n 60km van Shangyu ligt, naar Amsterdam. Qi heeft vakantie als zijn ouders hier zijn en gaat niet mee. Ik moet het dus weer zonder mijn afhaalchinees stellen in China. En dat wordt nog lastig, zeker bij Qi’s ouders, aangezien zij alleen Chinees spreken en mijn Chinees nog niet je van het is.

Misschien moeten we met nummertjes gaan werken.

(advertenties)

In december weer naar China

13 oktober 2009, 13:15 (China 21:15)

Sinds Qi voor een Chinese luchtvaartmaatschappij werkt, is het voor ons wat makkelijker om naar China te reizen. Qi krijgt van zijn werk twee bijna-gratis vliegtickets per jaar, en ziet daarnaast dagelijks de beste aanbiedingen voorbij komen. Die aanbiedingen zijn soms wat omslachtig, bijvoorbeeld dat je eerst van Düsseldorf naar Amsterdam moet vliegen. Maar als de aanbieding van ‘je eigen maatschappij’ is, dan is daar wel een mouw aan te passen.

Al met al bleek december een goed moment om weer op familiebezoek te gaan. Eén bijna-gratis ticket heb ik in augustus gebruikt. Nu gebruiken we het andere, plus een aanbieding. Als alles goed gaat vliegen we 4 december via Beijing naar Hangzhou. De luchthaven van Hangzhou ligt op zo’n 60km van Shangyu, waar Qi’s ouders wonen. We blijven tweeënhalve week.

Vriendelijkheid

9 augustus 2009, 6:10 (China 14:10)

Ik las eens een verhaal over het ontstaan van de Chinezen. Dat verhaal was dat, toen alle eigenschappen over de verschillende volkeren werden verdeeld, de Chinezen als laatste aan de beurt waren. Gewilde eigenschappen, zoals bijvoorbeeld een mooi uiterlijk, waren al vergeven. Het enige wat nog over was, was vriendelijkheid.

Over hoe mooi of lelijk de Chinezen zijn valt te twisten, maar vriendelijk zijn ze zeker. Op mijn terugreis van Chengde naar Beijing ervaar ik de Chinese vriendelijkheid weer eens. Mijn vriend uit Chengde heeft de buschauffeur gevraagd me af te zetten bij een metrostation. Want als ik eenmaal bij een metrostation ben, dan weet ik mijn weg wel te vinden. Ik kan natuurlijk een taxi nemen, maar dat is me te makkelijk.

We rijden over de Vierde Ringweg van Beijing, langs het Nationaal Stadium, waar een jaar geleden de Spelen begonnen. Even later zet de chauffeur de bus aan de kant van de weg, en gebaart me dat ik moet uitstappen. Hij wijst in verschillende richtingen, en het wordt me niet echt duidelijk waar nu het metrostation is. Tegelijk met mij stapt een jong stel uit, en uit de gebaren denk ik op te maken dat ze ook naar de metro gaan. Ik besluit ze te volgen.

Na een minuut of tien lopen is er nog steeds geen metrostation te bekennen. We komen bij een groot kruispunt. Het stel steekt over, maar lijkt verdwaald te zijn. En gaan ze wel echt naar de metro? Tijd om een ‘hulplijn‘ in te schakelen. Ik bel een vriend in Beijing, en geef mijn telefoon aan iemand die foto’s staat te maken van een viaduct. Hij draagt een badge, lijkt aan het werk, en weet hier vast de weg. Na een kort gesprek krijg ik mijn telefoon terug. “Hij zal je de juiste richting wijzen.” We hangen op. Op dat moment komt het stel weer langslopen. Ze spreken mijn ‘wegwijzer’ aan. Er volgen wat gebaren waaruit ik opmaak dat ik hen moet volgen.

We lopen terug naar een bushalte. Er stopt een bus en we stappen in. Als ik een buskaartje wil kopen is het stel me te snel af. We houden allebei geld voor aan het kaartjesverkoopster, die daarop vraagt wiens geld ze moet aannemen. Uiteindelijk neemt ze het geld aan van het stel, waarop ik mijn twee kuai aan het stel aanbiedt. Ze weigeren. Ik bied het nog een paar keer aan, maar het wordt niet geaccepteerd.

De eerstvolgende halte stappen we uit. Even verderop is een metrostation. Daar is het weer duwen geblazen om de metro in te komen. Maar dat Chinezen zich tegenwoordig niet echt geduldig tonen als ze in een rij staan wordt wellicht ook verklaard door het bovengenoemde verhaal.

Naar Chengde

7 augustus 2009, 1:02 (China 9:02)

Ik word wakker van het getoeter van auto’s. Het is tegen zessen, en gisteravond ben ik vergeten het raam dicht te doen. Mijn hotelkamer ligt op de 22e verdieping, maar het getoeter —dat rond twee uur ’s nachts stopt en ongeveer twee uur later weer begint— hoor je er niet minder om. Het hotel ligt aan het centrale plein van Chengde, een stad zo’n 260 kilometer ten noordoosten van Beijing. Op het plein is ondanks de vroegte al een groep oudere mensen bezig met tai chi. En ik hoor marktlui hun koopwaar al aanprijzen.

Chengde is bekend om het resort, waarvan de naam letterlijk betekent: ‘resort in de bergen om de hitte te vermijden’. In het resort is het tenminste drie graden koeler dan in de stad zelf. Keizers van de Qing dynastie bouwden hier een tuin van bijna zes vierkante kilometer, inclusief paleizen en andere administratieve en ceremoniële gebouwen, vanwaaruit het land werd geregeerd als het in Beijing te warm was. De beste tijd om het resort te bezoeken is nu, niet alleen vanwege de aangename temperatuur, maar ook omdat de lotusbloemen in bloei staan. Er zijn plaatsen in het park waar je het idee hebt naar een perfect schilderij te kijken. Helemaal feng shui, zeg maar.

Vanuit Beijing kom je hier het snelst met de bus. Officieel duurt de reis zo’n vier uur, maar de precieze tijdsduur is afhankelijk van hoe snel de bus vol is (pas dan vertrekt ‘ie) en de staat waarin de bus verkeert. Mijn bus gaf zo’n vijf uur na vertrek en zo’n 20 kilometer voor aankomst de geest. Maar gelukkig bleek de chauffeur ook bussen te kunnen repareren. Een kwartiertje later had hij ‘em weer aan de praat, zijn armen zwart van de smeerolie.